Ronny Delrue

Ontaarde kleuren

Erno Vroonen

augustus 1994

RONNY DELRUE IS SCHILDER. Zijn kleurenpallet is grauw en grijs. Zijn doeken zijn onrustig. Zij willen én behagen én afstoten. Opvallend mooi is het vuile, vage groen, dat her en der oprijst uit het kille grijs. Er is het spel met tegenstellingen, waarbij de componenten natuur en vervuiling een centrale plaats innemen. Ontaarde kleuren verschijnen. Soms vermoedt men dat Ronny Delrue zijn schilderingen telkenmale weer wil uitwissen zodat de herinnering van het beeld dat de onrust opwekt aan het oppervlak niet meer te herkennen is.

De gelaagdheid in zijn werk is tekenend. Sombere tinten volgen elkaar op. Een absoluut gevoel van leegte is hierbij het resultaat. Niets is duidelijk, elke interpretatie is mogelijk. Zo vergaat het eveneens ‘de portretten’. Kale hoofden, zonder gelaat, verschijnen als torso’s. De romp en het hoofd is één; de koppige kracht van de handarbeider…?

Ronny Delrue houdt van het platteland, maar ook van de getormenteerde drukke stad. Wispelturig en nieuwsgierig wil hij steeds onderweg zijn. Na een verblijf in Antwerpen neemt hij zijn intrek in een schildersatelier in het fiere Gent. Hij scheidt zijn woonst te Moen van zijn atelier. 

De kunstenaar op zoek naar een ‘vrijplaats’. In Gent is er de confrontatie met de collega’s en andere cultuuroverdragers. Het gesprek wordt een noodzaak ‘an sich’. Hierdoor winnen zijn schilderijen aan kracht. Zij ontsnappen immers aan de anekdotiek van de geïsoleerde kunstenaar. Het slaapkussen, de akker, de stroefheid van het gesprek, de gebrekkige ‘anderliefde’, flarden van een voorbij verhaal, krijgen nu een juistere plaats toebedeeld. Zij komen los uit het keurslijf van de vermeende verantwoording. Delrue laat zijn schilderijen zijn. Zij gaan spreken zonder zijn biografisch verhaal. Onafhankelijkheid creëert hun vrijheid. Wat rest ons nu als toeschouwer? Kunnen we het schilderij zien als een vertaling van een universeel gevoel. En heeft dit gevoel een naam, of moeten we proberen de sfeer te vatten zonder haar te willen benoemen. En waarmee is deze dan te vergelijken, met de diepte van de ravijn, de afgrond, de leegte van de waanzin… de onrust vertaalt in onmacht. Rwanda 1994.

Reeds oud is het gezegde, dat men eerst moet leren vallen, vooraleer men kan gaan. Is voor Ronny Delrue het vallen meer dan waarschijnlijk tot een eindpunt gekomen, voor de mensheid daarom nog niet. Een uitdaging dus…

Top