Ronny Delrue

Capita Selecta

Erik Thys

november 2004

De ogen

In dit deel van onze uitgestrekte wereld heerst naar men zegt een beeldcultuur, waarmee bedoeld wordt dat visuele media de informatiedragers die via andere zintuigen dan het oog werken, ruim overheersen. Beelden van Times Square, MTV en spektakelfilms doemen hierbij op. Voor een deel is dit ongetwijfeld zo, en we kunnen ons soms zelfs verheugen in de hypnotiserende resultaten van een geslaagd samenspel tussen een visuele ontwerper en zijn machtige technologische gereedschap. We kunnen ons ook naar hartenlust ergeren aan de vooralsnog absurde uitwassen van deze visuele overvloed, zoals de alomtegenwoordige beeldschermen met video-clips zonder geluid. (Komt er een tijd waarin we het omgekeerde onbegrijpelijk zullen vinden?) Maar men kan zich ook afvragen of veel van het visuele in onze maatschappij niet slechts een verpakking, een dun vlies is dat rechtstreeks verwijst naar inhouden die weinig met het visuele vandoen hebben. De visuele munitie waarmee we bekogeld worden behelst vaak niet meer dan een verzameling tekens, signalen, vlaggen die niet meer te bieden hebben dan de lading die ze dekken. Het zijn logo’s, picto’s, icons, emoticons. Het woord logo is in deze context veelbetekenend: een visueel teken dat een woord-boodschap draagt. Kennelijk schiet ons overigens erg efficiënte fonetische schrift (26 tekens tegen de vele duizenden Chinese) tekort en is er nood aan al deze supplementaire ideogrammen. Leven we dan niet in een jungle van beelden, maar in een woud van vermomde woorden? Of om in de popcultuur te blijven: schuilt er onder de blitse visuele camouflage een “Matrix” van neerdwarrelende groene karaktertjes? (En, onvermijdelijk, bestaat ons universum dan inderdaad uit miljoenen opgestapelde Japanse wekkerradio’s?)

Dit spanningsveld tussen woord en beeld, wellicht trouwens een fundamenteel motief in onze cultuur, neemt in onze tijd de gedaante aan van een visuele inflatie waaronder een armoede van het beeld verscholen ligt. De overspannen overvloed en het utilitaire maken beelden snel overtollig en hol. En de makers. En weer de beelden.

Volkomen verschillend van dit alles zijn de beelden van Ronny Delrue. Hij bewaart en bewaakt als beeldend kunstenaar het beeld als iets dat behoedzaam ontgonnen moet worden, dat voor zijn geoefend geestesoog rijpt en groeit terwijl het, binnen de eigen wetmatigheden, door zijn handen vorm krijgt. De kunstenaar zelf zegt dat zijn beelden ontstaan, niet gemaakt worden. De beelden hebben ook een duidelijk motief, ze geven de atmosfeer weer in zijn hoofd en de arbeid die er plaatsvindt. Het werk van Delrue is dus geen louter vormspel, het heeft een thematiek die ook in de titels van werken en tentoonstellingen geëxpliceerd wordt (Portretten, Gevoelige geesten, Geestelijk landschap). Maar toch is de kunstenaar opvallend spaarzaam met het impliceren van betekenissen en verwijzingen. Anders dan vele schilders van zijn generatie, zoals Luc Tuymans, vertrekt hij bijvoorbeeld niet van bestaande beelden of voorstellingen. Wanneer Tuymans een gaskamer schildert haakt hij zijn werk vast aan een complex en recursief web van betekenissen en verwijzingen, van voorstellingen en valse voorstellingen. Dit is essentieel een intellectuele démarche. Ronny Delrue gaat in zijn beelden, ook al hebben ze een duidelijk thema, elk teveel aan betekenis of vormelijkheid uit de weg. Meer zelfs, vaak verwijdert hij, on second thoughts, elementen uit zijn werk die het te concreet of te fraai dreigen te maken. Zo overschildert hij telkens opnieuw, laag op laag, dit teveel in zijn schilderijen. En zo ontstaan ook de uitgelezen hoofden, die geen gelaat hebben. Het menselijke gelaat, door Levinas geïdentificeerd als de “eerste betekenis” die een mens leert kennen, wordt door de kunstenaar weggezeefd. Dit is geen intellectuele interventie, dit gaat over beleving. Het werk van Delrue ontstaat slechts in het fragiele kader van een bepaalde geestesgesteldheid en is er tegelijk het verslag van. Een toestand die eenzaamheid, onthechting behoeft en een soort concentratie zonder voorwerp.

Geen trance, maar een toestand van heldere ontvankelijkheid, waarin de beelden een voedingsbodem vinden. En waarin de kunstenaar slechts een medium is die de wording van het werk in goede banen leidt. Deze methode, door de kunstenaar “gecontroleerde ongecontroleerdheid” genoemd, vindt een evenwicht tussen naakte directheid en beheersing en is te situeren tussen de extremen van een louter intellectuele aanpak enerzijds en de roesachtige “écriture automatique” anderzijds.

De oren

Ondanks een statische aanblik vertoont het werk van Ronny Delrue raakpunten met de werking van de muziek. Ook de muziek verwijst niet letterlijk naar begrippen, kan het zelfs niet, maar is tevens veel meer dan slechts een formele constructie, zij resoneert wel degelijk met menselijke gedachten en gevoelens. Muziek ontsnapt ook gracieus aan de woord-beeld-discussie, omdat het geen beeld, geen voorstelling is. Net als de muziek zijn de beelden van Ronny Delrue moeilijk in woorden te vatten en mist een beschrijving of verklaring onvermijdelijk de essentie van wat het werk teweegbrengt wanneer het de snaren van de toeschouwer doet meetrillen. We kunnen het intellectueel slechts benaderen, of we kunnen het beleven.

Een ander raakpunt schuilt in het temporele. De schilderijen en tekeningen van Ronny Delrue zijn, zoals hierboven geschetst, de neerslag van een proces dat zich in de tijd afspeelt. In de dagboeknotities is dit letterlijk zo: zij dragen een datum als titel. In de schilderijen is dit merkbaar aan de op elkaar gelegde historische lagen, waarin een motief als in een muziekstuk, getransformeerd wordt. In de tekeningen is dit merkbaar aan de bijna ritmische herneming van het thema, waarbij de uitvoering, het tekenen zelf, even belangrijk wordt als de tekening.

Muziek kan je niet vertalen, niet straffeloos omzetten naar een ander formeel systeem. En in deze hoogdagen van de copie, waarin alles via het formele systeem van de digitalisatie reproduceerbaar is geworden, lukt dit dus niet met het werk van Ronny Delrue. Zeker de schilderijen zijn merkwaardig weerspannig wanneer het op reproductie aankomt. Het lukt zeer moeilijk om de dikke, matte, pigmentrijke lagen op een klein, glad en dun vel tot hun recht te laten komen. Misschien verklaart dit probleem van de re(pro)ductie een misverstand over de somberheid die zijn werk zou uitstralen, waarbij verwezen wordt naar het zwart en andere duistere kleuren. In wezen gebruikt de kunstenaar volle, somptueuze kleuren, waarvan de donkere en ingetogen tinten veeleer ernst dan neerslachtigheid uitdrukken.

Het hoofd

Het werk van Ronny Delrue is niet alleen het verslag van een mentaal proces, het is ook de kroniek van een strijd. Een strijd om de hygiëne van de geest, een strijd tegen de mentale vervuiling. Hierbij denken we onwillekeurig aan de hoger geschetste visuele inflatie, maar het gaat meer in het algemeen ook over alles wat ons afleidt van de essentie, en wat door de kunstenaar trefzeker “hersenvreters” wordt genoemd. Dat kunnen de zorgen van elke dag zijn of de vele soorten opium voor het volk die ons verleiden en ophouden. Vaak hebben we de indruk dat het lelijke, het overtollige, het holle onschadelijk zijn op voorwaarde dat we ze als zodanig herkennen en benoemen. Meer zelfs, dat ze in dat geval zelfs vermakelijk en verstrooiend zijn. Wellicht is dat niet waar en werken die dingen toch op ons in, strooien ze hun afval over ons absorberend brein, als een sluikstorter in de nacht. Deze demonen moeten dus bestreden en gemeden worden, zeker als men de onthechting nastreeft waarin een kunstwerk kan ontstaan. Ronny Delrue voert deze strijd met een strategie die veel weg heeft van een religieuze oefening: met vastberadenheid, ernst en discipline, in sobere afzondering en met een zeker ritueel, bezweert hij de duivels van de geestesvervuiling en probeert hij in de hoofden tabula rasa te maken.

Het is een geestelijke arbeid die ontegensprekelijk een spirituele dimensie heeft

Top