Ronny Delrue

Graven naar de geest

Michaël Zeeman

1994

Er zijn maar weinig schilders die zo openhartig de genese van hun werk tonen in dat werk zelf als Ronny Delrue. Zijn schilderijen zijn niet alleen resultaat, ze zijn ook het verslag van een werkwijze. De toeschouwer krijgt niet alleen de knikkers, hij krijgt er meteen het spel bij geleverd. En dat laatste in talrijke varianten.

Delrue werkt systematisch; dat wil in zijn geval zeggen dat hij sterk de behoefte heeft in reeksen te denken: ‘Kroon en krater’, ‘Anonieme namen’, ‘De blinde koning’. Het is daarin alsof hij uitputtend alle mogelijkheden van een eenmaal gekozen thema of benadering wenst na te trekken. Het resultaat daarvan is een serie schilderijen waarin zich lastig een bepaald werk van de andere laat isoleren. Samen verbeelden ze het streven van de schilder, zoals tegelijkertijd ieder afzonderlijk werk voor de gehele reeks spreekt. Er is immers geen definitieve oplossing gevonden, maar er zijn gezichtspunten getoond.

Soms gaat hij zelfs zo ver die uitgewerkte gezichtspunten ogenblikkelijk te relativeren. Langs en in het beeld staan dan punten die elk voor zich vertrekpunt van een compleet nieuwe oriëntatie zouden kunnen zijn. In het schilderij zijn de andere, niet-geschilderde maar denkbare doeken in beginsel al aanwezig.

Het is veelzeggend dat de reeksen op zichzelf ook weer uit elkaar lijken voort te komen. Kennelijk is de weg die de schilder volgt een strakke, al vindt ook hij die slechts op grond van zijn discipline en schilderkunstige nieuwsgierigheid, en niet met behulp van mystieke voorkennis of een kil programma. Wie eerst naar zijn reeks schilderijen van Mexicaanse tempels kijkt en vervolgens naar de later ontstane reeks portretten, wordt zelfs van die zoektocht deelgenoot gemaakt. De laatste tempels haken in feite al naar de gezichten; de schilderijen zijn portretten geworden van bouwwerken, die zoveel geheimen in zich dragen, dat ze al haast tot leven ontluiken. Ze zijn al bijna geen architectuur meer, maar gaan bij de natuur horen. Wie die tempels ooit in werkelijkheid zag, opgeslokt door het landschap, beseft dat precies daarin hun geheimzinnigheid gelegen is.

Om dat geheim gaat het, en hoe streng de schilder ook is, hij ontfutselt het niet aan zijn doek. In de reeks portretten die Delrue thans schildert, wordt het geheim in dat doek ondergebracht. Het wordt opgevangen op een paradoxale manier, namelijk door zo kaal mogelijk een portret te schilderen, als een blinde schedel die in feite niet meer is dan een dichtgelopen contour, een volgelopen schedel, een hoofdvormige klomp steen.
De portretten dragen de titels die ontleend zijn aan grafmonumenten op de beroemde Parijse begraafplaats Père Lachaise. Op de indrukwekkende monumenten daar prijken de namen der doden, die dikwijls van ogenschijnlijk belangwekkende titels en verdiensten zijn voorzien. Ze zijn vereeuwigd in steen, maar tegelijkertijd vervallen ze tot niets dan resten van been.

In hun eigen tijd moeten de personen op wie ze betrekking hebben in aanzien hebben gestaan, maar de voortgang van de tijd kleedde hen tot op het bot uit en zelfs de monumenten die voor hen werden opgericht, scheuren en verzakken. Ze zijn gaandeweg niets meer dan een naam geworden, en het eigenaardige is dat ze juist daarmee weer volstrekte anonimi werden. Alleen van Modigliani, die zo expressief gezichten schilderde waaruit nagenoeg ieder trekje was weggelaten, overleefde de naam zodanig dat ze meer dan een reeks letters is.

Delrue delft in feite in het verleden van zijn portretten, zoals hij met de reeks ‘Kroon en krater’ in het heden spitte. In de reeks fossielen die hij schilderde kwam al een en ander van dat verleden boven de aarde; daar en elders waren reeds de knekels te zien, die de enigszins bittere romanticus Delrue had aangetroffen. Maar zoals hij ze vond, zo schilderde hij ze ook weer weg, of verstopte ze onder stukken rijstpapier die hij op zijn doeken aanbracht. Ze schemeren door het schildersmateriaal heen, ze zijn aanwezig zonder zichzelf prijs te geven.

Dat geeft aan een groot deel van Delrues schilderijen het karakter van een palimpsest: door de getoonde werkelijkheid schemert een andere, een eerdere, of het nu die van de vergankelijkheid is of die van het levenslustige. Soms zelfs letterlijk als in een palimpsest, woorden die half en half verdwijnen achter de verf. Juist daarin schuilt het dubbelzinnige van zijn werk: het is streng en gedisciplineerd, maar tegelijkertijd geheimzinnig.
Zo hardhandig als het materiaal is aangebracht, en zo weerbarstig als het er soms ook uitziet, zo ademen de schilderijen van Delrue het streven de geest bloot te leggen. Ze zijn evocatief jegens hetgeen ze verbeelden, maar ook aangaande dat verbeelden zelf: ze zijn een pleidooi van trouw aan de schilderkunst. Achteraf beschouwd, getuigt het van grote consistentie dat Delrue tien jaar geleden al hommages aan de beroemde schilders van het verleden bracht.

Top