Ronny Delrue

Cerebriraptor, de dreigende opkomst van een nieuwe ziekte

Erik Thys

17 november 2006

Inleiding

Wetenschap, zegt men, is waarden-loos. Dit betekent dat wetenschap geen intrinsieke oriëntatie bezit met betrekking tot goed en kwaad, en dat bijgevolg de wetenschapsbeoefenaars zelf haar kunnen of moeten sturen, navigerend met hun eigen ethische kompas of dat van diegenen aan wie ze verantwoording verschuldigd zijn. Vele menselijke activiteiten zijn op zich eveneens waardenloos, zoals bijvoorbeeld de economie, de ontginning van grondstoffen en de media. Het zijn gereedschappen die voor een goed- of boosaardige karwei gebruikt kunnen worden, slechts de gebruiker kan en moet hierover beslissen.

Tegen deze redenering is weinig in te brengen, ware het niet dat de meeste van deze menselijke activiteiten actueel op een dergelijke schaal plaatsgrijpen dat het behoorlijk ondoorgrondelijk is geworden wie in charge is, wie de autonome gebruiker is, wie dus de normen en waarden bepalen, bewaken of genieten.

De media, het broze maar kleverige cement van onze wereldmaatschappij, zijn misschien nog het ongrijpbaarst in dit opzicht, zeker in de huidige veelkoppige gedaante met pers, tv, radio en vooral het internet, dat alle andere media overtreft en nu ook mee stuurt. In het wereldwijde spinnenweb van informatie, desinformatie, signaal en ruis dat onze planeet omspant, zijn de spinnen moeilijk van de vliegen te onderscheiden en zijn zowel diegenen te wantrouwen die beweren dat er geen spinnen zijn als zij die claimen de spinnen te kennen. En indien het medium de boodschap is, dan klinkt deze vandaag onmenselijk luid, babels en dreigend. Het is duidelijk dat de strijd tegen zulk een ontzaglijke waardenloze vijand slechts verloren kan worden.

Een nieuwe ziekte

Tegen de achtergrond van deze nog maar ontkiemende evolutie plaatsen we vandaag de eerste signalen van een nieuwe, ernstige infectieziekte. Het gaat om een geheimzinnig en pathofysiologisch volkomen nieuw syndroom, waarvan we in deze tekst de nog vage contouren zullen schetsen, met de schaarse gegevens die ons vandaag ter beschikking staan. Samengevat is dit nieuwe syndroom, dat de werktitel “syndroom van Delrue” kreeg (naar de kunstenaar die de problematiek voor het eerst signaleerde) een traag degeneratieve hersenziekte, wellicht veroorzaakt door een infectieus agens van een nieuw type, dat de naam Cerebriraptor kreeg. De ziekte lijkt elke persoon te kunnen treffen en vormt om al deze redenen een ernstige bedreiging voor de wereldgezondheid. In de volgende paragrafen worden verschillende aspecten van de ziekte behandeld, voorzover er informatie over bestaat.

Nosologische historiek

Het bestaan van de ziekte werd in de eerste jaren van het nieuwe millennium voor het eerst vermoed door de Belgische beeldend kunstenaar Ronny Delrue. In zijn tekeningen en schilderijen doemde af en toe een diertje op, opgebouwd uit een eenvoudige bolvormige romp bovenop rudimentaire dunne pootjes, gebogen over een prooi, veelal een menselijk hoofd. De afbeeldingen in dit boek geven enkele van de vele door Ronny Delrue vormgegeven configuraties van het diertje weer. Het slechts als een zwart, grijs of bruinig silhouet weergegeven figuurtje heeft geen duidelijk gelaat of zintuigen en ontbeert ook klauwen, tanden of andere aanvals- of verdedigingsorganen. De bolle buik, de schriele poten en de voorovergebogen zuighouding suggereren dat het diertje voornamelijk is toegerust om zoveel mogelijk voedsel tot zich te nemen en ogenschijnlijk geen andere functies of capaciteiten bezit. Fylogenetisch is het diertje moeilijk classificeerbaar: de suggestie van een bruinige beharing en de zuigactiviteit verwijzen naar een zoog- of buideldier, maar vanwege de vereenvoudigde vorm kan ook aan een insekt (b.v. een teek) gedacht worden. De grootte van het diertje of het aantal poten zijn niet conclusief omdat zij variëren naargelang van de afbeeldingen. Vaak is er ook geen referentie-object aanwezig om de schaal te beoordelen, het diertje lijkt zich overigens zowel op als in een menselijk hoofd te kunnen bevinden. De reeds vermelde vereenvoudigde vorm, tesamen met de uitsluitend op voeding gerichte functionele reductie, kunnen wijzen op een soort devolutie, d.i. het verlies van evolutionair verworven functies. Dit fenomeen wordt o.a. beschreven bij parasieten, waar een aantal functies met bijhorende organen (voor bescherming, verplaatsing, behoud van warmte enz.) verdwijnen omdat zij door de gastheer worden geleverd. De kunstenaar noemde het diertje Hersenvreter of Cerebriraptor. Het is een louter artistieke creatuur die de gevoelens en gedachten symboliseert die de geest vervuilen, verstrooien of verdoven, het mentale gezichtsveld vertroebelen en de geest van het essentiële verwijderen en vervreemden. Voor de kunstenaar verbeeldt de Cerebriraptor de strijd tussen het zinvolle en de non-sens, die door de kunstenaar en bij uitbreiding de hedendaagse mens steeds grimmiger en ongelijker gestreden wordt. De Raptor staat m.a.w. symbool voor een immateriële (psychologische, filosofische en spirituele) problematiek. Toch is de Raptor geenszins een intellectuele of moralistische constructie, het is een creatie ontstaan uit het intuïtieve aanvoelen van een specifieke geestelijke en maatschappelijke problematiek. De antennes van de kunstenaar hebben hier echter onbewust iets veel concreters gedetecteerd: de infectieziekte die we vandaag kennen als het syndroom van Delrue.

De eerste beschrijvingen van de ziekte dateren van 2004, toen enkele huisartsen uit de streek rond Le Grand Hornu in het Belgische Wallonië in een vakblad een handvol case studies publiceerden over een ongewone emotionele onverschilligheid bij hun patiënten, een afstomping die over enkele maanden tijd ontstaan was, niet verklaard kon worden en resistent bleek aan antidepressiva. Sceptische psychiaters reageerden dat het wellicht om atypische uitingsvormen van depressie, schizofrenie of autisme ging, en dat de antidepressiva wellicht niet hoog genoeg gedoseerd waren. Nieuwe casussen, internationaal gesignaleerd gedurende de afgelopen twee jaar, ondersteunden daarentegen de hypothese van een afzonderlijke ziekte-entiteit met een biologische, infectieuze oorsprong. Langdurig contact met patiënten leek een besmetting te kunnen veroorzaken, al werd ook over spontane gevallen gepubliceerd. Het bestaan van de ziekte was dus van meet af aan controversieel en stuit tot op heden op scepsis in sommige medische kringen [1].

Symptomatologie

De pathologie uit zich hoofdzakelijk in een toenemende ongevoeligheid in de breedste zin van het woord en een progressieve maar gelimiteerde afname van de intellectuele vermogens.

Enerzijds is er een psychologische onverschilligheid, die maakt dat de patiënten veel minder dan normaal geraakt kunnen worden door emotionele gebeurtenissen en ook minder betrokkenheid tonen t.o.v. betekenisvolle anderen. De onverschilligheid betreft ook de patiënten zelf, die onbewogen toekijken op de degradatie van hun leven. Er zijn gelijkenissen met de zogenaamde “anesthésie douloureuse”, het pijnlijke ontbreken van gevoelens bij depressie, maar dan zonder uitgesproken psychische pijn, en met de zogenaamde negatieve symptomatologie die men bij patiënten met schizofrenie kan aantreffen: emotionele afvlakking, verminderde betrokkenheid op de omgeving en de eigen behoeften, resulterend in de neiging tot sociale isolatie en apathie. Merkwaardig is dat de aandacht soms nog wel gewekt kan worden door tv-programma’s voor kleine kinderen, waarna deze dan weer snel verslapt om vervolgens terug te vallen op een lager niveau.

Anderzijds is er ook een neurologische hypesthesie, een verminderde gevoeligheid van de tastzin, de warmte-, vibratie- en pijnreceptoren. Dit maakt dat patiënten schadelijke omgevingsfactoren onvoldoende ontwijken en zich bijgevolg frequent verwonden en verbranden. Ze worden ook onhandiger wegens de verminderde tastzin, laten frequent voorwerpen vallen.

Tenslotte is er de intellectuele achteruitgang, zowel wat verbale (vergaring en beheer van kennis) als performantiële intelligentie (redeneervermogen) betreft. Vanwege dit aspect is de ziekte eigenlijk in te delen bij de dementies, waarbij de huidige gegevens lijken te wijzen op een progressieve, maar uiteindelijk stabiliserende daling van de intellectuele functies, meer bepaald met een finaal gemiddeld verlies van 15 à 25 IQ-punten.

Het klassieke klinische beeld van de patiënt is dat van een weinig reactieve, psychomotorisch vertraagde persoon met doffe blik en veelal zichtbare kneuzingen op het lichaam, omringd door op de grond gevallen voorwerpen en zich meestal in de onmiddellijke nabijheid van een tv-toestel bevindend.

Etiologie en pathogenese

De oorzaak van de ziekte is op dit ogenblik nog hypothetisch. Dat de ziekte verspreid wordt door een infectieus agens wordt vrij algemeen aanvaard sinds onderzoekers erin slaagden om temporele verbanden te leggen tussen verschillende gevallen en de ontdekking dat de pathologie in sommige streken endemisch schijnt te zijn. Niettemin werden ook verschillende casussen beschreven waarbij de ziekte kennelijk spontaan ontstond, maar waarbij die nieuwe patiënten dan toch zelf besmettelijk bleken. Hier leek het alsof de Cerebriraptor als het ware uit het niets ontstond. Er blijft m.a.w. veel onduidelijkheid over het precieze ontstaansmechanisme.

Een opmerkelijke maar niet ongeloofwaardige hypothese postuleert het bestaan van een vokomen nieuw type infectieus agens dat niet van biologische aard is. Voor een goed begrip van deze hypothese is het nuttig een excursie te maken naar twee verwante en gelijknamige begrippen uit volkomen verschillende werelden, namelijk het biologische virus en het computervirus. Het biologische virus is een extreem rudimentaire levensvorm die slechts bestaat uit een omhulsel en genetisch materiaal met de code voor dit omhulsel. De evolutionaire oorsprong van virussen is nog onduidelijk, mogelijk gaat het om devolutie (zie hoger), waarbij complexere levensvormen gereduceerd werden tot een vereenvoudigd, want geheel parasitair wezen. Virussen zijn toegerust om een gastheercel binnen te dringen en het genetisch materiaal (DNA) van de gastheer als bouwstenen te gebruiken om zichelf te repliceren en aldus te vermenigvuldigen. Hierdoor worden cellen in min of meerdere mate vernietigd, waardoor de gastheer (een één- of meercellig wezen) schade kan oplopen of afsterven.

Computervirussen zijn kleine computerprogramma’s die andere programma’s (b.v. een e-mailprogramma) kunnen verstoren en ertoe aanzetten om het virus door te sturen naar andere computers. Vaak richten zij naast deze infectieuze verspreiding van copieën van zichzelf schade aan in de geïnfecteerde computers, op software-, maar soms ook op hardwareniveau, waardoor deze disfunctioneel of geheel onbruikbaar worden. Computervirussen worden doelbewust ontworpen met het oog op bepaalde, meestal destructieve effecten, biologische virussen in principe niet, al wordt dit door sommigen wel beweerd over het AIDS-virus. De overeenkomsten tussen biologische virussen en computervirussen situeren zich niet alleen in het infectieuze en vaak ontwrichtende karakter dat hen beide kenmerkt, maar ook in het feit dat het eenvoudige structuren zijn die weinig meer zijn dan “code”, DNA of RNA in het geval van biologische virussen, commandolijnen in het geval van computervirussen, waarvan zij de bouwstenen volledig betrekken van hun gastheer. Met andere woorden, de betekenisdrager van een systeem wordt gebruikt om het te ontwrichten aan de hand van een oneigenlijke vorm van deze betekenisdrager, die geen betekenis draagt voor het systeem, maar wel voor het ontwrichtende mechanisme. De parasiet is bovendien solide geconstrueerd zodat hij zichzelf efficiënt kan repliceren. Voorbeelden van nog meer rudimentaire maar tevens minder efficiënte oneigenlijke codes zijn prionen (verwekkers van o.a. de gekke-koeienziekte en de ziekte van Creutzfeldt-Jakob), die als eiwitachtige structuren eigenlijk niet meer als een levensvorm beschouwd kunnen worden, en ‘bugs’ in computerprogramma’s, beide eerder ‘fouten’ in de code dan autonome entiteiten.

Naar analogie nu met deze “maligne codes” is het denkbaar dat in de menselijke geest eveneens structuren kunnen ontstaan, gedijend op de betekenisdrager, de software of de code, in dit geval cognities, die het systeem vernietigen. Met cognities worden discrete mentale processen of inhouden bedoeld die zowel van “rationele” als “emotionele” aard zijn, m.a.w. gedachten, gevoelens, voorstellingen, redeneringen enz. We poneren hier de mogelijkheid van het bestaan van “kwaadaardige cognities” die zo geconstrueerd zijn dat, indien zij via de zintuigen de mentale wereld van de gastheer bereiken, deze aanvreten, zichzelf in de gastheer vermenigvuldigen en vervolgens nieuwe slachtoffers gaan besmetten wanneer de gastheer deze cognities via communicatie met anderen verspreidt[2]. De min of meer globale functionele uitval van de hersenen zou dan het gevolg kunnen zijn van een overwoekering van verschillende systemen door deze cognitie. Bekende, meer goedaardige processen die hiermee een zekere gelijkenis vertonen zijn dwanggedachten zoals bij obsessief-compulsieve stoornis en intrusieve gedachten en herbelevingen zoals bij posttraumatische stressstoornis. Hierbij zullen bepaalde gedachten, gevoelens of voorstellingen repetitief het geestesleven overwoekeren, maar deze ziektebeelden zijn niet besmettelijk.

Samengevat wordt de Cerebriraptor in deze hypothese dus voorgesteld als een parasiterende en metastaserende cognitie die de hersenfunctie aantast en verspreid kan worden via communicatie. Hoewel het een volkomen nieuw en nog niet geobjectiveerd pathogenetisch concept betreft, verklaart deze hypothese niet alleen de bekende ziektesymptomen, maar ook het ogenschijnlijk contradictorische samengaan van een infectieus en spontaan ontstaan van de pathologie. Het is immers zowel mogelijk dat een cognitie overgedragen wordt als dat zij vanzelf ontstaat in de geest van een gastheer. Hier geldt opnieuw een analogie met prionen, die zowel via infectie als via mutatie en de genen kunnen overgedragen worden. Belangrijk en alarmerend is ook dat infectie op afstand mogelijk blijkt te zijn, via communicatiemiddelen als telefoon, televisie en internet.

Voorbeschikkende factoren

Vooraf dient gesteld dat er op dit ogenblik geen enkele immuniserende factor tegen infectie door Cerebriraptor bekend is. Om veiligheidsredenen gaat men er dus best van uit dat iedere persoon besmet kan worden. Factoren die zeker geen rol spelen in de besmettingsgevoeligheid zijn leeftijd, geslacht, ras, intelligentie, seksuele geaardheid en levensbeschouwelijke overtuiging. Theoretisch kan men echter verwachten dat personen die afgezonderd leven van anderen en ook weinig communiceren op afstand, mogelijk een zekere bescherming tegen de infectie genieten. Zoals hoger gesteld is een spontane generatie van de kiem echter nooit uit te sluiten. Nauwgezet epidemiologisch onderzoek toonde anderzijds aan dat blootstelling aan zogenaamde massamedia wellicht een voorbeschikkende factor vormt. Twee eigenschappen van deze informatiebronnen (zij het tv, internet of straatreclame) spelen hierbij vermoedelijk een rol: de kwantiteit en de inhoud. Dat de kwantiteit van de informatie die we dagelijks te verwerken krijgen een zeer hoog niveau bereikt en steeds toeneemt, staat buiten kijf. Er kan gewag gemaakt worden van een semantische vloedgolf die onze maatschappij overspoelt. Zonder dat wij dit beseffen vergt het aanzienlijke inspanningen van ons brein om voortdurend signaal en ruis te onderscheiden in deze gegevensstroom. Belangrijk is dat heel wat van deze gegevens betekenisloos, redundant zijn. Het is deze redundantie, deze non-sens die vervolgens wellicht het uitfilteren van de relevante informatie bemoeilijkt. De bijzonder complexe machine om bruikbare gegevens op te merken en er adequaat op te reageren (de zogenaamde salience, of in het oog springen van informatie) kan disfunctioneel worden wanneer de spreekwoordelijke filter verstopt geraakt door een overmaat aan redundantie. Dit fenomeen kan ook begrepen worden als een soort veralgemeende gewenning[3]: de sensoren en receptoren werden overgestimuleerd, waardoor hun gevoeligheid afneemt en hun discriminerend vermogen verdwijnt. Ook in de hogere functies van het ethisch of esthetisch aanvoelen kan deze gewenning zich laten gevoelen. De ethische of esthetische salience van waardevolle inhouden kan teloorgaan temidden van een overmaat van betekenisloze, kwalitatief zwakkere of sensationele boodschappen; de gave des onderscheids verzwakt. Het is wellicht in deze toestand van overgestimuleerde gewenning en filtervervuiling dat de woekerende maligne cognitie van de Cerebriraptor een voedingsbodem vindt. Deze toestand, voorafgaand aan de eigenlijke semantische infectie wordt pre-raptus genoemd.

Diagnose

Alvorens de diagnostische werkzaamheden aan te vatten dient de clinicus zich te beschermen tegen besmetting. Omdat verspreiding van de Cerebriraptor in het rechtstreekse contact met de patiënt meestal gebeurt via verbale communicatie volstaat het meestal zich te voorzien van een solide gehoorsbescherming, liefst met een hoofdtelefoonmodel zoals gebruikelijk op luchthavens.

De diagnostiek van het syndroom van Delrue is op dit ogenblik nog erg onvolkomen. De diagnose wordt hoofdzakelijk gesteld op basis van het klinische beeld (zie symptomatologie). Omdat de symptomen weinig specifiek zijn gaat het dan nog vaak om een uitsluitingsdiagnose, m.n. wanneer erop gelijkende ziektebeelden werden uitgesloten. Deze zijn: depressie, schizofrenie, middelenmisbruik, autisme en dementie. De klassieke fysische onderzoeken zoals bloedonderzoek, CT-scan van de schedel en electro-encefalogram brengen meestal geen bijzonderheden aan het licht. In zeer ernstige gevallen kunnen een kernspintomografie of een functionele hersenscan discreet massa- of functieverlies van de hersenen in het licht stellen.

Er wordt hoopvol uitgekeken naar een veelbelovend psychotechnisch onderzoek, m.n. een speciale versie van de Voight-Kampff-test[4], in brede wetenschappelijke kringen aanvaard als een implementatie van de Turing-test [5]. Deze test zou de diagnosticus in staat moeten stellen om het specifieke verlies van emotiviteit na aantasting door de Cerebriraptor te detecteren.

Behandeling

Er is op dit ogenblik geen behandeling voor de ziekte. Patiënten worden doorgaans in hospitalen of tehuizen opgenomen en in een prikkelarme omgeving geplaatst. Men veronderstelt dat dit de verdere progressie van de ziekte kan tegenhouden, maar daar zijn voorlopig geen bewijzen voor. Enkele denkpistes laten toekomstige behandelmodellen voorzien, maar blijven speculatief. Eén ervan is een soort van mentale antibiotherapie met cognities die de hersenvreters kunnen ontkrachten, maar deze kunnen nog niet ontwikkeld worden omdat de precieze structuur van de Cerebriraptor nog niet bekend is. Analoog is een mentale vaccinatie denkbaar met verzwakte maligne cognities, die dan darwinistisch gaan concurreren met de kiemen in het hoofd van het slachtoffer. Op dit moment is er echter nog geen enkele realistische aanzet voor de ontwikkeling van een vaccin. Dit leidt ons naar het belangrijke aspect van de preventie. Voor de individuele persoon geldt als belangrijk advies om voorzichtig om te springen met de media. Concreet betekent dit dat men slechts teksten leest, beelden en films bekijkt, muziek- of geluidsfragmenten beluistert die van een betrouwbare bron afkomstig zijn of die beveiligd zijn. In elke publicitaire mail, in elke videoclip, in elke jingle, maar ook in boeken, brieven en zelfs verkeerstekens kan een Cerebriraptor schuilen. De moderne stedeling is wegens de redundantierijke omgeving waarin hij leeft, extra kwetsbaar voor infectie. Een klassieke aanbeveling is om bij een stadswandeling zoveel mogelijk de blik af te wenden bij confrontatie met reclamepanelen of gelijkaardige potentiële infectiebronnen. In shopping malls en in het bijzonder in grote meubelzaken (typische reservoirs van de kiem), is het infectiegevaar nog groter en wordt geadviseerd om ook de oren af te dekken om blootstelling aan muzikale hersenvreters te voorkomen. Nog beter is om dit risicogedrag zoveel als mogelijk te vermijden en een optimale mentale hygiëne na te streven.

Aangezien de infectie verspreid wordt via de media zijn er reeds stemmen opgegaan om de media af te schaffen. Een dergelijke maatregel lijkt echter niet realiseerbaar zonder de hulp van ... de media, en bijt aldus in zijn eigen staart. Wel werden her en der reeds media-arme gemeenschappen opgericht, maar daar is weinig over bekend omdat zij uiteraard de media schuwen.

Voorzorgen

Zoals hoger aangestipt is uiterste voorzichtigheid geboden in het contact met besmette personen. Een majeur probleem wordt gevormd door het feit dat de Cerebriraptor moeilijk herkenbaar is en dat cognitief contact met de kiem de facto een infectie impliceert. Van patiënten die het konden navertellen weet men dat het kan gaan om een absurde zin, een onbegrijpelijk beeld of filmpje, dan wel om een ergerlijk geluid of muziekstuk die via telefoon, internet of andere media tot hen doordrongen en die in hun hoofd gingen woekeren. De precieze aard van deze gedaanten van de Cerebriraptor is zeer moeilijk te achterhalen vanwege het grote besmettingsgevaar dat met het onderzoek gepaard gaat, zoals blijkt uit enkele pijnlijke gevallen van besmetting bij onderzoekers. Er wordt koortsachtig gezocht naar een methode om de kiem te kunnen hanteren zonder dat hij schade kan aanrichten. Voor op taal gebaseerde Cerebriraptoren zou een mogelijke methode erin kunnen bestaan een gewijzigde vorm van de kiem te gebruiken, die ongevaarlijk is [6].

Prognose

De prognose van een infectie door Cerebriraptor is ongunstig. Bij gebrek aan een behandeling evolueert de ziekte meestal naar chroniciteit, met een blijvend verlies aan mogelijkheden. Oneerbiedig worden de patiënten soms vergeleken met zombies, apathisch en gevoelloos als ze zijn. Ze zijn echter niet agressief, wat het besmettingsgevaar zeker niet vermindert. Er is geen terminale evolutie van de ziekte bekend, zoals bij de ziekte van Alzheimer of de chorea van Huntington, wel een nivellering naar een lager niveau van functioneren.

Besluit

Hoewel al de bovenstaande informatie op dit ogenblik wetenschappelijk nog controversieel is menen we toch te mogen stellen dat men in het licht van dreigende epidemieën en mogelijk zelfs een pandemie, niet voorzichtig genoeg kan zijn. We willen hierbij dan ook een krachtig signaal uitzenden naar de overheid, met de dringende vraag meer middelen vrij te maken voor preventie, informatie en onderzoek. In het bijzonder willen we vragen naar extra middelen voor kunstenaars. Zoals het werk van Ronny Delrue dit zeer overtuigend illustreert, bezitten zij immers de fijngevoeligheid die hen in staat stelt om evoluties, zij het culturele, maatschappelijke of medische, vroegtijdig aan te voelen. Kunstenaars vormen dan ook een uitstekend early warning systeem. Bovendien is het niet uitgesloten dat hun creaties ooit een essentieel onderdeel zullen vormen van de behandeling van deze vreselijke ziekte. Kunst kan misschien de wereld redden.

[1] De vraag kan gesteld worden of het werkelijk een moderne ziekte betreft. Daar het naar alle waarschijnlijkheid om een media-infectie gaat is het antwoord op deze vraag wellicht bevestigend. Toch zijn er goede argumenten om aan te nemen dat in het verleden sterk verwante pathologieën bestonden. Een klassiek voorbeeld zijn de zombies uit de Voodoo-cultus, waarbij personen door bepaalde rituelen en toverformules op levende doden gaan gelijken.

[2] Hoe eenvoudige cognities een mentaal systeem kunnen ontwrichten is mogelijk een uitdrukking van de stelling van Gödel, die poneert dat voor alle mogelijke formele sytemen er uitspraken bestaan die binnen het systeem onbeslisbaar zijn. Dit heeft implicaties voor computersystemen en mogelijk ook voor de menselijke geest. Zeer eenvoudig komt het erop neer dat er gedachten moeten zijn die ondenkbaar zijn en die onvermijdelijk het brein beschadigen.

[3] Gewenning en prikkelbaarheid staan in ons brein in een zeer delicaat en belangrijk evenwicht tegenover elkaar. Om iets dat van belang kan zijn in de omgeving op te merken (voedsel, gevaar, een potentiële partner,...) moet het systeem openstaan voor deze prikkel; anderzijds kan een overdreven openstaan leiden tot overprikkeling en overspoeling. Herhaalde blootstelling aan prikkels die onbelangrijk blijken te zijn leidt tot een uitdoving van dit signaal. In de moderne toestand van continue overprikkeling leidt het sterke onevenwicht ook tot een ontregeling van de perceptie van relevante prikkels. Deze situatie is in feite het spiegelbeeld van het Franse spreekwoord “le mieux est l’ennemi du bien”, namelijk “le pire est l’ennemi du bien”. Minderwaardige prikkels, indien voldoende frequent aangeboden, gaan de perceptie van superieure prikkels verzwakken en bezoedelen. Zeer veel slechte wijn zal de appreciatie voor goede wijn uiteindelijk bederven.

[4] Een test om mensen van androïden te onderscheiden, zie Philip K Dick, Do Androids Dream of Electric Sheep? 1968, en de verfilming als Blade Runner, 1982. De speciale versie van de Voight-Kampff-test is grotendeels geïnformatiseerd om besmetting door persoonlijk contact te voorkomen.

[5] Een theoretische test om artificiële intelligentie te toetsen.

[6] Een analoge procedure wordt reeds eeuwenlang toegepast in het gebruik van de letterwoorden JHWH, G-d en G’d, om Gods naam weer te geven zonder het verbod te overtreden om de naam zelf te gebruiken.

Top