Ronny Delrue

Memories revisited.

Reconstructie op 7/8 april 2014 van de nachtwandeling (van station Oudenbosch naar Zundert) en de ochtendwandeling (van Zundert tot Rijsbergen) die Vincent van Gogh maakte op 7/8 april 1877.

Interview door Dr. Hiëronymus van der Straeten (Dr.) met Ronny Delrue (R.D.)

Juli – augustus 2014

- Dr.: Hoe kom je erbij om samen met enkele museumdirecteurs, critici, van Gogh-kenners en kunstenaars [1] een nachtwandeling te reconstrueren die Vincent van Gogh in de nacht van 7 op 8 april in 1877 maakte?

- R.D.: Mijn deelname aan dit project kwam onverwacht. Toen Philippe Van Cauteren op 26.11.2013 in mijn atelier in Gent vertoefde, vertelde hij me er heel vurig over. Hij vermoedde dat dit me kon interesseren. Ik vond het inderdaad uitermate boeiend. Gezien Loek Grootjans de initiatiefnemer van dit concept was, zou Philippe me al de volgende dag aan hem voorstellen. Dit gebeurde en Loek en ik maakten al snel concrete afspraken in verband met het project. Vincent van Gogh kwam opnieuw dichter in mijn buurt.

- Dr.: Waarom boeide dit je zo sterk?

- R.D.: Van Gogh fascineerde me al op heel jonge leeftijd. De mythe rond zijn persoon – de schilder die zijn oor afsneed, bezeten brieven schreef, opgenomen werd in de psychiatrie, ... – sprak tot mijn verbeelding. Toen ik in Amsterdam een bezoek bracht aan het museum dat zijn naam draagt, voelde ik door de fysieke confrontatie met zijn schilderijen echt rillingen. Het levensverhaal en het werk van Vincent van Gogh kwamen in mijn tienerjaren allerminst onopgemerkt voorbij. Al snel maakte mijn fascinatie voor de mythe van deze getormenteerde schilder plaats voor inhoudelijk onderzoek van zijn oeuvre. Later verbleef ik een tijdje in Saint-Rémy-de-Provence. Daar bezocht ik het psychiatrisch zorgcentrum Saint-Paul-de-Mausole, waar van Gogh zich op 8 april 1899 – dag op dag tweeëntwintig jaar na de bewuste wandeling – vrijwillig liet opnemen (cf. zijn schilderij De slaapkamer[2]). Deze ervaringen brachten een intensere kijk op van Goghs leven en beeldtaal met zich mee. Via het lezen van zijn dagboeken kon ik bovendien als het ware een beetje (mee)wandelen in zijn hoofd.

- Dr.: Wou je de wandeling van Oudenbosch tot Rijsbergen, net zoals van Gogh, fysiek ervaren om op deze manier zijn wereld beter te begrijpen?

- R.D.: Ik wou inderdaad lichamelijk ervaren hoe van Gogh deze tocht had beleefd: de duisternis van de heide, de fonkelende sterren in een zwarte hemel, ... Samen met geestesgenoten maar evenzeer alleen wou ik in mijn denken ervaringen met hem aftoetsen. Ook de andere wandelaars stapten vanuit hun persoonlijke perceptie mee in een tocht binnen een groter verhaal, in de geest van van Gogh. Alleen samen en samen alleen fysiek en mentaal wandelen vind ik subliem, deze ervaringen vervolgens in woord en/of beeld brengen is buitengewoon uitdagend.

- Dr.: Eerder tijdens dit gesprek zei je: ‘Vincent van Gogh kwam opnieuw dichter in mijn buurt.’ Was hij voor jou dan een tijdje verder weg?

- R.D.: Inderdaad. Sta me toe te zeggen dat van Gogh één van de iconen is die mij als schilder hebben gemaakt. Bepaalde van zijn werken staan werkelijk in de canon van mijn geheugen gegrift: Zonnebloemen (1888-‘89), Het gele huis (1888), De Minnaar ( portret van luitenant Milliet) (1888), Het nachtcafé (1888), Portret van Eugène Bach (1888), De slaapkamer (1889) en zijn vele zelfportretten. Het was het schilderij De aardappeleters (1885) dat als eerste mijn aandacht trok. Maar vrij snel raakte ik gefascineerd door van Goghs latere werken: het felle kleurgebruik in zijn schilderijen en de schriftuur van de verf. Laten we zeggen dat deze beelden tot mijn algemene kennis behoren. Later kregen tal van beelden van andere kunstenaars de prioriteit. Maar het leven en werk van Vincent van Gogh bleef ik hoe dan ook boeiend vinden.

- Dr.: Roger Raveel vertrouwde jou, toen je hem ooit interviewde, toe dat hij het fascinerend vond hoe van Gogh licht op een witte gevel accentueerde door er een donkere en bleke ruitjesstructuur op aan te brengen[3]. Ben ik juist als ik hiervan een vertaling denk terug te vinden in je dagboeknotities over de reconstructie van de van Gogh-wandeling?

- R.D.: Dit is inderdaad niet in dovemansoren gevallen. Het is een gegeven dat ik uit van Goghs werk wil isoleren. Het ruitjespatroon heb ik – weliswaar binnen een totaal andere context – verwerkt in de reeks Memories revisited (van Gogh): Mind map.

- Dr.: Wat bedoel je met ‘binnen een totaal andere context’?

- R.D.: In mijn werk beoog ik met dit ruitjespatroon niet het licht aan te scherpen. Voor mij zijn de ruitjes blokjes van – al dan niet bijna volledig verdwenen – herinneringen die ik probeer samen te brengen. Bovendien vormen ze een grafisch of picturaal veld. Bepaalde vellen papier waarop deze ruitjesstructuur als autonoom gegeven verschijnt, kan je inderdaad onder meer zien als inzoomen op dit specifieke patroon binnen van Goghs werk. Via mijn interpretatie ervan wordt je als het ware in een stukje van zijn werk opgezogen, maar uiteindelijk gaat het voor mij vooral om een universeel beeld waarbinnen iedereen zijn persoonlijke puzzel kan samenstellen.

- Dr.: De bedenkingen en tekeningen die jij naar aanleiding van de wandeling op papier zette, doen me denken aan van Goghs brieven in de zin dat jullie beiden tekeningen in jullie brieven opnamen. Wil je me daarover iets meer vertellen?

- R. D.: De bedenkingen en tekeningen maakte ik toen ik van Goghs brieven aan het herlezen was. Ze ontstonden spontaan. Ik vroeg me af op welke manier ik de reconstructie van de wandeling in beeld kon brengen. Daarbij concentreerde ik me vooral op de brieven die van Gogh schreef rond 1877, het jaar waarin hij de bewuste wandeling maakte. Ik was benieuwd naar hoe de kunstenaar zich in die periode voelde en wat er zich rond die tijd in zijn hoofd afspeelde. Van Gogh was toen 24 jaar. Dit gegeven koppelde ik ook terug naar mijn eigen leven van toen ik even oud was. Wat fascineerde er mij op dezelfde leeftijd?

- Dr.: Werd je door bepaalde dingen verrast toen je van Goghs brieven uit die periode opnieuw las?

- R.D.: Wat me opviel was dat van Gogh buitengewoon was doordrongen van zijn wens om prediker te worden. Hij wou absoluut in de voetsporen van zijn vader treden. Hierbij verwijs ik graag naar een brief die hij in maart 1877 aan zijn broer Theo schreef:

‘Het is mijn bede en innig verlangen dat die geest van mijn vader en grootvader ook op mij moge rusten en het mij moge gegeven worden te zijn een Christus en een Christuswerkman, dat mijn leven moge gelijken hoe meer hoe liever – want ik zie, die oude wijn is goed en ik begeer geen nieuwe – op dat van hen die ik daar noem.’ [4]

Vincent was heel fanatiek en ging elke dag helpen bij godsdienstige genootschappen. Hij las en vertaalde de bijbel – soms ook ’s nachts – in verschillende talen. Maar hij bleef ook tekenen. Enkele jaren later maakte hij verschillende topwerken.

- Dr.: De reconstructie van de wandeling en het herlezen van de brieven die van Gogh in die periode schreef, hoe heb je die ervaren?

- R.D.: Ik had het gevoel dat ik de denkwereld van van Gogh als het ware kon aanraken. Ik probeerde af te tasten hoe hij zich tijdens die periode voelde, hoe hij dacht en op welke manier hij de wandeling ervoer. De brieven die hij toen schreef en de wandeling die hij had gemaakt, fungeerden als open deuren die me toegang verschaften tot de donkere gangen van een verleden tijd. Het voelde voor mij als een zijdelings aanraken van een niet te vatten wereld. Wat was het fascinerend te weten dat we oog in oog stonden met gebouwen die van Gogh ook had gezien: het station van Oudenbosch, de kerk, het kerkhof en de kosterswoning in Zundert, … Wel voelde ik tegelijk dat er veel dingen waren veranderd of verdwenen. Bepaalde stukken van de Rucphense heide waren niet meer. Het kamertje in de boerderij aan de Tiggeltsestraat, waar boer Johannes Aertsen ooit lag opgebaard, was gerenoveerd. De voordeur van het huis was nog steeds dezelfde, maar het vroegere nummer 27 was gewijzigd in 16a. En zo waren er nog wel meer dingen geëvolueerd. Meer dan ooit ervoer ik de tijd als een factor die alles verschuift: bestaande dingen vervagen, nieuwe zaken ontstaan en groeien. Verdwijnen en verschijnen.

- Dr.: Je vertelde me eerder dat ronddolen op het kerkhof in Zundert een diepe indruk op je naliet. Hoe zou je die nader kunnen omschrijven?

- R.D.: Kerkhoven hebben een geladen connotatie. Grafzerken tonen de verstening en verpulvering van wat ooit is geweest. Foto’s en namen van de overledenen fluisteren over geschiedenissen die zijn beëindigd. De relativiteit van het leven wordt er scherp afgelijnd. Uiteindelijk wacht ieder van ons hetzelfde lot: stof. Op zo’n donkere plek vertoeven en dat bij het ochtendgloren versterkte natuurlijk de gedachte van leven en dood. De duistere nacht maakte plaats voor het licht van de dag.

Het graf van Vincent Willem van Gogh, de oudere broer van Vincent, triggerde een blinde vlek in mijn geheugen. Ook ik heb een oudere broer met mijn naam die is overleden. Wellicht is dit verdriet door mijn ouders verdrongen, want we vinden weinig gegevens en ik voel dat ze er niet graag over praten. Er bestaat ook geen grafzerk meer. En ik kan me eigenlijk niet herinneren dat er ooit een is geweest. Onlangs vroeg ik nog aan mijn ouders hoe dit kwam, waarop mijn vader vertelde dat het ziekenhuis het graf zonder hun weten had verwijderd. Dit kan ik onmogelijk geloven, maar verder peuteren in deze geschiedenis durf ik niet. Wat vaststaat is dat als mijn broer Ronny er nog was geweest mijn naam in elk geval niet Ronny zou zijn.

- Dr.: Enkele weken later maakte je samen met je vader en je zoon Pepijn een wandeling op het kerkhof in de buurt van je ouderlijk huis. Hoe was dat zo kort na de intense ervaring op het kerkhof in Zundert?

- R.D.: Op Pasen was ik op bezoek bij mijn ouders in Heestert. Vanuit hun keuken hebben we zicht op de kerk een honderdtal meter verder. Na de koffie vroeg mijn zoon Pepijn om even buiten te spelen op het pleintje achter de kerk. Toen ik aan de deur van het gebouw kwam, zei ik Pepijn dat ik even binnen wou gaan. Dat was immers jaren geleden. Meteen kwam de geur van wierook me tegemoet en waande ik me in een van de geurwolken die ik in mijn kindertijd als misdienaar zo vaak had zien aanwakkeren. Het is zo lang geleden en toch zie ik het nog in detail voor me: we deden een stukje houtskool ontvlammen waarop we vervolgens met een klein lepeltje wierook aanbrachten. Om het vuurtje de nodige zuurstof te geven, zwengelde de priester het zilveren wierookvat met kettingen van voor naar achter, van boven naar beneden en omgekeerd. Zo verspreidde de sterke geur zich meteen ook doorheen het hele kerkgebouw. Als misdienaar had ik dit vaak meegemaakt, bij het altaar, rond een kist, ...

- Dr.: Kwamen er op die plek van je jeugd nog meer herinneringen bij je naar boven?

- R.D.: De flashback zwol inderdaad verder aan. Via een piepende flapdeur kwam ik in het portaal terecht. Ik stapte mijn kindertijd binnen. Daar stond ik opnieuw aan de wijwaterbak. Waar was de tijd dat ik met mijn kinderhandjes met moeite bij het wijwater kon raken? En waar was de tijd dat ik samen met enkele vriendjes een huwelijksmis diende en het pas getrouwd paar en hun familie bij het buitengaan met een wit lint mee tegenhield om het pas te laten zakken wanneer we spaargeld kregen? Toen ik de brede dubbele deur opende die toegang geeft tot het koor, zag ik een wereld opnieuw voor mijn ogen die al lang de mijne niet meer was: tapijten, de grafstenen in de kerkvloer, de brandglasramen, de biechtstoelen, het altaar, de kandelaars, … De doopvont achteraan leek te zijn verdwenen. Of toch niet, ze was er nog, maar stond nu vooraan rechts.

De zeepbel van herinneringen werd even doorprikt door Pepijn die ongeduldig werd: ‘Papa, wanneer gaan we nu voetballen?’ Onderweg naar buiten, troffen we mijn vader in het kerkportaal. Hij was ons nagekomen om Pepijn te zien spelen en had gemerkt dat we even een ommetje hadden gemaakt. In mijn hoofd wandelde ik echter nog steeds in mijn kinder- en jeugdjaren rond. Ik kon er maar niet genoeg van krijgen. Het was alsof ik ieder detail in en rond de kerk scherp analyseerde op mogelijke verschillen met het verleden. ‘Kijk, het pishokje moet dringend worden gerestaureerd.’, zei ik. ‘Inderdaad’, reageerde mijn vader, ‘Er is een auto tegen het hokje gebotst en het blijft maar duren voor het hersteld wordt.’

- Dr.: Een mooie flashback. Maar wellicht zijn er ook droevigere herinneringen van je met deze site verbonden?

- R.D.: Vanzelfsprekend. Met dezelfde vriendjes dienden we niet alleen huwelijksmissen maar volgden we bij begrafenissen ook mee de lijkstoet naar het kerkhof. Die werd steevast voorgegaan door de priester en Jules Breda, de kerkbaljuw. En op het kerkhof van Heestert rusten natuurlijk heel wat oude bekenden van me.

‘Pepijn’, vroeg ik, ‘wil je zien waar mijn oma en opa begraven liggen? Dat zijn de papa en mama van meme.’ Ik zag hoe mijn zoontje dit verband probeerde te ontcijferen. Met zijn bal in de handen trappelde hij volgzaam mee. We liepen langs het Engels kerkhof. Als kind al was ik gefascineerd door de netheid van deze begraafplaats en de gelijkvormigheid van de grafstenen. Bij het graf van mijn meter en grootvader borrelden opnieuw vervlogen anekdotes als levendige scenario’s in me op.

Ik vroeg me af of de gedenksteen van Luc Laebens er nog stond? Aan mijn vader en Pepijn vertelde ik hoe we op dit kerkhof met onze hele klas van het zesde leerjaar rond het graf van onze klasgenoot Luc hadden gestaan en hoe Philippe Vandevelde toen een tekst voor hem had voorgelezen. Enkele weken later stonden we hier met de hele klas opnieuw. Maar dit keer was op de plek waar Philippe stond een put voor hem gedolven. Niemand had de moed om een tekst voor te lezen. Tot op vandaag liggen ze naast elkaar.

- Dr.: Wat flitste er nog meer door je hoofd?

- R.D.: Ik dwarrelde nog even op het kerkhof rond en werd getroffen door allerlei foto’s en namen van mensen uit mijn kindertijd. Ze waren niet meer: Albert Vandeputte, bij wie ik in de camion mocht zitten; Armand Sengier, de gemeentesecretaris en buurman die ook een spaarkas hield en bij wie mijn ouders voor mij een spaarboekje openden waarop ik fier als een gieter mijn eerste bijeengespaarde duizend franken (nu ongeveer 25 euro) deponeerde; Gilbert D’hulster, wellicht de sterkste en luidruchtigste landbouwer van het dorp; Zuster Marie-Paule, die me ooit vertelde dat ze eens een hele avond met een jongen had gedanst maar toen hij op het einde van de avond vroeg om een nieuw afspraakje te maken, antwoordde dat dit niet nodig was, gezien ze had besloten om in het klooster te treden, ... Ik werd bedolven onder namen die de voedingsbodem vormden voor zowel vrolijke als droevige anekdotes: Geert, Daniel, Jan, Danny, Jef, Fred, Maria, Agnes, Jules, ...

- Dr.: Op welke manier versterkten je bezoek aan het kerkhof van Zundert tijdens de wandeling in het spoor van van Gogh en deze wandeling met je vader en je zoon Pepijn op het kerkhof bij je ouderlijk huis elkaar?

- R.D.: Op beide plekken werd ik geconfronteerd met de tijd die alles verschuift. Het kerkhof op de van Goghwandeling had mij op dit gegeven extra attent gemaakt. Amper enkele weken later op een gelijkaardige plek in het dorp van mijn jeugd werd het effect van de tijd natuurlijk meer dan ooit zichtbaar. Ook nu verrasten veel veranderingen me. Daarnaast zag ik ook heel wat gebouwen terug die er nog net zoals in mijn kindertijd stonden. Maar vooral de aanwezigheid van mijn vader en mijn zoon gaf de ervaring een extra dimensie. Ik voelde de kwetsbaarheid en gebrokenheid van mijn 84-jarige vader en de levenslust van mijn zesjarige zoon, terwijl ikzelf tussen hen beiden in stond. Mijn vader en ik haalden herinneringen op over zij die geweest waren, maar daar had Pepijn geen boodschap aan. Zijn geduld was te lang op de proef gesteld. Hij wilde voetbal spelen. Met ons drieën wandelden we naar de speeltuin. Samen speelden we met de bal. Er was een sterke synergie. We stonden heel dicht bij mekaar. Dit voelde bijzonder mooi maar ook erg breekbaar aan.

De wandeling had blijkbaar langer geduurd dan we beseften, want mijn moeder stond ons achter het keukenraam op te wachten. Binnen veranderde de geur van wierook in die van koffie. Het dagdagelijkse leven ging verder zijn gangetje. Toch lieten de herinneringen aan mijn verleden en aan de van Goghwandeling mij die dag niet meer los. Het spel tussen verdwijnen en verschijnen hield in mijn hoofd nog even aan.

[1] Lorenzo Benedetti, Jos Boetzkes, Koen Broucke, Philippe Van Cauteren, Frits de Coninck, Ron Dirven, Florette Dijkstra, Anne Geene, Loek Grootjans, Anneke Hendrikx, Teio Meedendorp, Rebecca Nelemans, Lucette ter Borg, Louis van Tilborgh, Barbara Vroom-Cramer, Josien van Gogh en Roger Willems

[2] De slaapkamer, september 1889 (geschilderd in Saint-Rémy)

[3] Ronny Delrue, Het onbewaakte moment – De gecontroleerde ongecontroleerdheid bij het tekenen – Ronny Delrue in gesprek met Luc Tuymans, Anne-Mie Van Kerckhoven, Roger Raveel, Katleen Vermeir, Kris Fierens en Philippe Vandenberg , Mercatorfonds, Brussel, 2011, p. 118

[4] Vincent van Gogh, Verzamelde brieven van Vincent van Gogh, Uitgaaf van B.V. ’t Lanthuys met medewerking van de Vincent van Goghstichting (exploitatie voor alle Nederlandstalige gebieden: Wereld-Bibliotheek Amsterdam-Antwerpen), 1974, pp. 99 en 100

Top