Ronny Delrue

Ronny Delrue: het uitkiezen van de uitverkorenen

Katlijne Van der Stighelen

Ronny Delrue is eigenzinnig. Bijna tien jaar geleden woonde hij een lezing bij over historische portretschilderkunst. Na afloop had ik een lang gesprek met hem en enkele dagen later kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik bereid zou zijn om vanuit mijn expertise met portretten uit lang vervlogen tijden het promotorschap te aanvaarden over een doctoraat in de kunsten dat zich zou toespitsen op de analyse van het wankele moment waarop de kunstenaar de controle over zijn werk verliest en zich laat leiden door een ultiem moment van inspiratie. Tijdens de colleges die Ronny Delrue enige tijd later aan onze onderzoekseenheid Kunstwetenschappen volgde, toonde hij vooral belangstelling voor de maniëristische kunstopvattingen waarbij een kunstwerk wordt beschouwd als een naadloos samengaan van ‘inventie’ en ‘executie’. De ‘inventie’, vorm gegeven in het ‘disegno’, zeg maar ‘het ontwerp’ (dessin/ design), etaleert het begenadigde ogenblik van de inspiratie.

In zijn traktaat L’Idea de’ pittori, scultori ed architteti (1607) parafraseert Federico Zuccari ‘disegno interno’ als een segno di dio in noi: ‘een teken van het goddelijke in ons’. Elders noemt hij het een scintilla della divinità, een vonk van het vuur van het goddelijke inzicht. Het is deze spirituele vonk die de kunstenaar in staat stelt om een abstract ‘idee’ te gieten in een concrete vorm. Het ogenblik dat de artiest door een soort oerkracht wordt aangeraakt maakt hem/haar euforisch. Door de ervaring van dat ondeelbare moment voelt hij zich als kunstenaar superieur en mateloos geïnspireerd. De kunstenaar is niet langer een kunstenaar die werd geboren in 1550 of in 1950 maar is een scheppend genie dat inzicht verwerft in de matrix van de creativiteit. De manier waarop in de onvoltooide tekeningen en olieverfschetsen van schilders als Peter Paul Rubens en Anton van Dyck de spanning tussen inspiratie en vormgeving tot uiting komt, zette Delrue aan het denken. Voor een kunstenaar is er geen verleden en geen heden: hij ontwerpt een universum dat enkel kan worden betreden door hen die de sleutel van de eigen ervaring op zak hebben. Gestimuleerd door zijn ontdekking van de ‘picturale zoektocht’ van de Oude Meesters ging Delrue op zoek naar contemporaine artiesten in wier werken hij een vergelijkbare spanningsboog zou kunnen ontdekken. Oud(er) en jong, man en vrouw, schilder en tekenaar werden geselecteerd. Niet de roem van de grootmeester maar de bedachtzaamheid en de duurzaamheid van de creatie werden gebruikt als toetssteen. Niet elke genodigde schaarde zich aan de dis maar het halve dozijn apostelen dat Ronny Delrue voor een lang gesprek aan de tekentafel wist te strikken, is betoverend representatief. Delrue’s proefschrift in de kunsten is daadwerkelijk een onderzoek naar de schriftuur van de artistieke expressie. Als kunstenaar heeft hij nooit een blad voor de mond genomen. Vanuit zijn eigen ervaring polst hij naar de beweegredenen van zijn collegae kunstenaar. Hij heeft urenlange gesprekken gevoerd met een keur van schilders en tekenaars die in niets op elkaar gelijken en tegelijk putten uit een gemeenschappelijke voedingsbodem. Tussen de muren van het atelier wordt ‘de mythe van het atelier’ gedeconstrueerd en worden even later de brokstukken opnieuw gelijmd. De gesprekken zijn nooit eenmalig geweest maar vertakten zich tot opeenvolgende ontmoetingen waarbij de tijd niet zelden rijpheid en raad heeft gebracht. De interviews munten uit door openhartigheid en sereniteit. De ene kunstenaar waant zich aan het einde van zijn loopbaan, de andere overweegt om zelf dat einde te bepalen en nog een andere hoopt dat zijn grootste vlucht nog moet komen. Door het gesprek met Delrue is de zelfconfrontatie onontkoombaar geworden. Het kind en ik, een titel hier even ontleend aan de pas verschenen autobiografie van Hans van Mierlo, bezorgt een rode draad. De kunstenaar kijkt naar zijn kindertijd als een periode van kwetsbaarheid en intens isolement. Daarnaast koestert hij/zij de gedachte van het ‘anders’ of het ‘uitverkoren’ zijn. De wortels van de creatieve geest rijken vér terug in de tijd. De kaarten liggen bloot op tafel en daarom is dit onderzoek uniek en essentieel. Dit proefschrift gaat in eerste instantie over de balans tussen controle en het verlies van controle maar bevraagt tegelijk het profiel van de kunstenaar op zich. Wat is een kunstenaar en waarom aanziet hij/ zij zichzelf als een artiest? Is hij/zij zich bewust van het absolute ‘kantelmoment’; is hij/zij er permanent naar op zoek? Welke boegbeelden blijven inspireren en wat leren ze? Wat betekent individuele expressie en hoe individueel is de emotie die hieraan ten grondslag ligt?

Dit proefschrift vertolkt op een onnavolgbare manier wat er in de actuele kunstenaar omgaat, wat zijn inspiratiebronnen en zijn drijfveren zijn. Door de sturende aanwezigheid van Ronny Delrue is dit boek tot een uitzonderlijke confrontatie geworden tussen meesters onderling. Precies daarom gaat het hierbij om fundamenteel onderzoek in de kunsten. Terwijl de kunsthistoricus of de kunstwetenschapper van op een afstand visuele of cultuurhistorische fenomenen tracht te doorgronden, staat de auteur van dit proefschrift in het centrum van zijn onderzoeksveld. De analyse vanuit dit standpunt levert een ongezien spektakel op van beelden, citaten en inzichten dat elke toeschouwer van binnen of van buiten de arena wel moet bekoren. Via het oeroude medium van de dialoog over het beeld nodigt dit proefschrift uit om de tempel van het artistieke brein in zijn puurste vorm te verkennen.

Ik had duidelijk het gevoel dat ik over een eigenschap beschikte die de anderen niet bezaten. Mijn ontgoocheling was echter groot toen mijn moeder mij later zei dat het meestal maar kinderen van rijke mensen waren die konden kunstenaar worden.
Top